Interviews

vrije geluiden maart 2011 | Tra Noi april 2010 | Tra Noi december 2007

Interview Vrije Geluiden maart 2011

Ter gelegenheid van de Huil, klaag, bid en bemin toer met het Nederlands Blazers Ensemble was  A Filetta te gast bij het tv-programma Vrije Geluiden van de VPRO.
Na het zingen van vier nummers, werd Jean-Claude Acquaviva door Melchior Huurdeman aan tafel uitgenodigd voor een kort interview.

M. H.:  Dag, welkom.
J.-C. A.:  Dank je.

M.H.:  Het is echt ongelooflijk…
J.-C. A.:  Heel erg bedankt.

M.H:  En het is ook heel erg lichamelijk, waarom is dat?
J.-C. A:  Nou, in de eerste plaats is het zo dat er om een paghjella te zingen, zo zonder instrumenten, heel veel concentratie nodig is en daarnaast is het een manier van zingen die ook daadwerkelijk heel lichamelijk is, want je bent er heel erg bij betrokken, je wordt gedwongen om heel je wezen in de zang te gooien, om met heel je wezen te luisteren naar de anderen, omdat het een manier van zingen is waarvan de maat niet vaststaat, die tamelijk vrij is, moet je tegelijkertijd heel veel geven en heel intensief luisteren. Dat is zowel lichamelijk als voor je zenuwen erg vermoeiend.

M.H.:  Okee. Maar is er een teamleider die…
J.-C. A.:  Nee, nee, er is geen koorleider, er is geen leider. Ik ben de componist binnen de groep, maar verder is er geen… als we iets instuderen, als we iets uitvoeren… we hebben het hier niet over de locica van een klassiek orkest, dat uiteraard een dirigent nodig heeft, een leider. Onze manier van zingen werkt zo niet, en daarom noopt het tot concentratie, luisteren en de betrokkenheid van allen.

M.H.: Ah, juist, het is democratisch.
J.-C. A.:  Zeker.

M.H.: Het eerste lied, de eerste compositie, was dat een paghjella?
J.-C. A.:  Ja.

M.H.:  Wat is een paghjella precies?
J.-C. A.:  Nou, de eertse zang was dus een paghjella. Dat is echt het tradionele gezang, het meest eigene dat we in Corsica bezitten. Het is een driestemmige zang, en feitelijk, zou ik zeggen, het gezang waaruit de gehele orale polyfone traditie voortkomt, die is gebaseerd op dat driestemmige model. Het ook de oudste, meest archaïsche manier van zingen, waarvan de exacte oorprong overigens onbekend is.

M.H.:  Maar er zijn drie stemmen, is het niet?
J.-C. A.: Precies. Het is altijd driestemmig, er is wat we noemen de seconda, de eerste stem die het lied inzet. Dan is er de bassu, de lage stem die het geheel draagt, die in zekere zin de baslijn bepaalt. En dan is er nog de derde stem, de terza, die chronologisch gezien na de andere twee inzet en die met “mélismen”, versieringen, het lied verfraait.

M.H.:  En deze muziek heeft dus een nieuwe sociale functie gevonden?
J.-C. A.:  Absoluut. Het was een muziek die bijna was verdwenen, want het was een muziek die een echo was van het platteland, van de rurale wereld van het binnenland van het eiland. Vervolgens is, door de twee wereldoorlogen, en met name de eerste wereldoorlog, het binnenland, het centrum van het eiland, enorm ontvolkt. Want veel mannen zijn naar het front vertrokken, zijn niet teruggekomen, en anderen hebben elders in het Franse rijk carrière gemaakt.De ontvolking van het platteland die daarop volgde had tot gevolg dat het gezang bijn a was verdwenen. Ebn toen, in de zeventiger jaren, ontstond het verlangen het terug te winnen, het opnieuw te verbreiden, en het is een manier van xzingen die vanaf die tijd inderdaad een nieuwe sociale rol is gaan vervullen. Het is een beetje de kenmerkende manier van zingen van een hele genaratie geworden, de generatie die wordt aangeduid als die van de jaren ’70, de generatie die opnieuw een eigen identiteit voor Corsica opeiste, de mogelijkheid om onze eigen beslissingen te nemen en zo. En zo is het opnieuw de manier van zingen geworden van allen die deel uitmaakten van die zoektocht naar onze idenditeit.

M.H.: OK,. Al 33 jaar A Filetta. Een mooie tijd?
J.-C. A.:  Een bijzonder mooie tijd. We zeggen vaak dat we een uizonderlijk avontuur beleven. We zijn een oude groep die heel erg hecht is gebleven. We hebben een hechte band met elkaar, en we hebben als groep, en dat zeggen we vaak tegen elkaar en ook bij concerten, het geluk gehad dit avontuur te mogen beleven. En dan zeggen we: een avontuur waar winstbejag, hiërarchie en machtsverhoudingen geel deel van uitmaken. In onze wereld zijn er niet zo veel plaatsen meer waar dat bestaat.

M.H.: En echte vrienden, samen?
J.-C. A.:  Beslist.

M.H.:  Hartelijk dank.
J.-C. A:  Bedankt.

M.H.:  Niets te danken. En veel succes met het NBE en Ernst Reijseger.
J.-C. A: Dat hoop ik ook.
M.H.:Bedankt en tot ziens.

Interview april 2010, Hasselt

We schrijven vrijdag 2 april 2010, na een prachtig concert schuiven we met A Filetta aan tafel in het theaterrestaurant in Hasselt België.

Tra Noi houdt ervan om de dingen anders dan anders te doen, en wetende dat Jean-Claude meestal de interviews geeft en de anderen hier en daar instemmen of tegenspreken, stelden we aan ieder lid van A Filetta één vraag.

Calledonië

In Nieuw Caledonië

De soep wordt geserveerd, José zit tegenover ons en mag daarom de spits afbijten.
Tra Noi: Wat is de meest bijzondere plek waar jullie ooit hebben opgetreden, denk aan kerk, theater, openlucht ?
José weet het antwoord direct en zonder twijfel: “Nieuw-Caledonië, in mei 2009 (A Filetta was daar op uitnodiging van een groep uit Nieuw-Caledonië die ooit bij de Rencontres in Calvi was, red.), we waren daar ter gelegenheid van de sterfdag, 20 jaar na dato, van Jean-Marie Tjibaou (politicus en militant voor de onafhankelijkheid, werd samen met zijn strijdmakker Yeiwene Yeiwene vermoord op 4 mei 1989 red.)

Maxime is nieuwsgierig en probeert op ons kladblok te lezen wat zijn vraag is.
Aan welke samenwerking heb je warme herinneringen, en wat maakt die samenwerking zo speciaal ?
Een van de anderen roept iets over “warme” herinneringen, een inside joke waar we maar niet verder op ingaan om niemand in verlegenheid te brengen.
Maxime: “bedoel je een herinnering voor mij, of voor de groep ?”
Tra Noi: “Voor jou persoonlijk met de groep.”
Maxime antwoordt zonder nadenken: “Bruno Coulais, we hebben zo intens samengewerkt, dan krijg je vanzelf een band, dan moet je ook open staan voor de ander, en dat gebeurt dan ook, het is nodig om de samenwerking goed te laten verlopen.
In het geval van Bruno is er een vriendschap ontstaan, hij is zelfs de peetvader van mijn dochter.”

Aan Paul vroegen we:
Wat is de vreemdste plek waar jullie ooit zijn opgetreden ?
Paul denkt even na en antwoordt: “dat was een circuspiste bij het Palais Nikaïa (stadion in Nice red.) Het was voor een samenwerking met Orlando Forioso, Bruno Coulais en Circusgroep “Gruss”, voor de voorstelling Lucio, le rêve de l’âne d’or.” Jean-Claude en Valérie beamen het. (deze ‘circusopera’,  Lucio, le rêve de l’âne d’or, werd tweemaal opgevoerd op 2 en 3 juli 2007, red)
Lucio, le rêve de l’âne d’or

Tussen de soep en het hoofdgerecht gaan we richting Jean.
Als je één lied van A Filetta zou moeten kiezen, welk lied zing je dan het liefst ?
Jean antwoordt direct: “Medea ! “
Tra Noi: “niet een CD, één lied.”
Jean: “U Casticu, ik vind alle albums die we gemaakt hebben mooi, maar Medea is de apotheose, de zangen brengen zó’n harmonie, dat we tijdens het zingen van Medea in trance kunnen raken…
Medea vertegenwoordigd het verleden, het heden en de toekomst.”

“U Casticu” (extrait de Medea) – Intantu

volubilis

Volubilis

Jean-Luc is aan de beurt en we vragen hem:
Wat is het vreemdste wat je ooit met A Filetta hebt meegemaakt ?
Voordat Jean-Luc kan beantwoorden komt Jean met een grappige gebeurtenis tijdens hun verblijf in Zweden, maar dat is meer een kroegverhaal met als ingrediënten: kaars, kapsel en klap, ze liggen helemaal in een deuk nu ze het er weer over hebben.
Jean-Luc denkt diep over de vraag na, diverse anekdotes lijken in zijn hoofd de revue te passeren, hij antwoord vervolgens: “in Marokko maakten we iets vreemds mee, we traden op in Volubilis (een oude Romeinse opgegraven stad, red), tijdens het concert was het leger aanwezig voor de algemene veiligheid, de aanwezige militairen waren druk, vooral met het luisteren naar een voetbalwedstrijd via de radio, we konden al zingend de wedstrijd, en het commentaar van de militairen volgen. Dat was nogal storend.

Een bijzondere ervaring was het concert in Noorwegen, het was zomer, we traden op om twaalf uur ´s nachts, en het was gewoon licht, heel bijzonder.”

De borden zijn leeg, de Belgische frieten op, en we stellen de volgende vraag aan Ceccè:
Wat is je drijfveer om bij A Filetta te zijn, altijd op reis, vaak weg bij je gezin ?
Ceccè antwoordt met vanzelfsprekendheid in z´n stem: “Passie. Passie voor A Filetta, passie voor het zingen, voor de sfeer binnen de groep, voor het reizen, alles wat het leven van A Filetta met zich meebrengt. Het is wel moeilijk soms, als ik weg ben mis ik mijn gezin, maar bij A Filetta zijn, dat maakt het goed.”

Ook Valérie krijgt een vraag van ons te beantwoorden:
Neem ons mee en beschrijf jouw ideale A Filetta concertdag.
Valérie begint te lachen: “dat is sowieso niet de eerste (reis)dag van een tour… maar verder…”
We helpen haar op weg door te vragen waar ze blij van wordt, wat doet ze zoal op een concertdag.
Valérie: “Het meeste werk zit in de voorbereiding, eigenlijk hoef ik niet zo veel meer te doen als we op tour zijn, het komt zelden voor dat ik acuut iets moet regelen.
Mijn ideale dag is zo min mogelijk reizen tussen de steden waar we optreden, rustig aan doen, de stad bekijken waar we zijn, maar ook wat tijd nemen om ´huiswerk´ te doen. Voilà, dat is mijn ideale dag.”

Bij de koffie stellen we als laatste een vraag aan Jean-Claude.
Waar zou je ooit nog eens willen optreden met A Filetta, denk onbeperkt, de Akropolis, Vlieland, de Noordpool, de Maan…
We zien Jean-Claude in gedachten een reis maken: “Een oud Grieks theater, en dan Medea opvoeren. Ik zou daar willen optreden waar de natuur ruig is, Patagonië, Groenland, de polen, Noord, Zuid, dat maakt me niet uit (ondertussen worden er aan tafel bijzonder natuurgetrouwe imitaties opgevoerd van applaudisserende pinguïns). De woestijn, al is dat niet fijn omdat het zo heet is, ik ga liever naar koudere bestemmingen.
Dromen kan altijd.”

Ondanks hun moeheid willen ze op ons verzoek nog wel even in de rugbyhouding gaan staan, ik word omsingeld door de zeven zangers en schiet:

Na afloop van het interview in Hasselt

Dan is het tijd om te gaan,  lekker slapen, lekker dromen…

Interview december 2007, Utrecht

Het is vrijdag 16 december en Tra Noi (Martijn, Christina, Laurent & Suzan) wonen het concert van ‘A Filetta’ bij, in de Sint Pieterskerk in Utrecht. Tijdens de Nederlandse tour van ‘A Filetta’ heeft Laurent de eervolle eervolle taak gekregen om de teksten die Jean-Claude Acquaviva, tussen de gezangen door, in het Corsicaans en Frans zegt te vertalen en tijdens de concerten voor te lezen.
De kerk zit stampvol en de mannen komen op. Het is zo stil, alsof men niet mag ademen. Bij de eerste klanken wordt de belofte waargemaakt, het klinkt zo mooi. Ze zingen nieuwe stukken die begin 2008 op CD opgenomen gaan worden, maar ook delen van Medea en het Requiem, uit de films Liberata en Himalaya. De akoestiek is geweldig en het publiek is hoorbaar ontroerd. ‘A Filetta’ is hier op zijn plaats.
Na een ovationeel applaus komen ze terug en zingen een prachtige toegift.

We helpen Valèrie (Salducci, de manager van ‘A Filetta’) met de CD verkoop en het is mooi te zien dat men enthousiast is, voor velen is één CD niet genoeg. Wat gehoord is wil men vasthouden, dat is zo herkenbaar. Nadat de groep een aantal ontmoetingen heeft met enthousiast publiek gaan we met z’n allen op weg naar het restaurant. Daar, op het mooie plein bij de St.Pieterskerk vraagt Suzan of ‘A Filetta’ nog “Sub Tuum” wil zingen. José en Maxime, die al vooruit liepen, worden teruggeroepen, het is koud, de mannen gaan dicht bij elkaar in een cirkel staan en de oren worden onder de mutsen uitgehaald.
Een magisch moment, daar op dat plein, in de kou, het was subliem! Wat een cadeau!
Daarna roepen we: “MANGER!” en gaan op weg. Maxime met een plattegrond in zijn hand de weg wijzend, Paul en Ceccè, geitend, fietsen tegenhoudend en de rest in gesprek met elkaar. De sfeer is ontspannen, het was een fijn concert.
In het restaurant bestellen de meeste van ons pizza “A Filetta” met een biertje en we starten het interview. Laurent en Jean-Claude zijn degene die schouder aan schouder het gesprek voeren. De rest luistert mee, anderen praten met elkaar.

De eerste vraag is van Christina, en gaat over de juiste vertaling van een tekst (Christina heeft vertaalde liedteksten in poëzie omgezet. Het gaat om onder andere het nummer “Caracolu di brame” van de CD Intantu, de juiste inhoud staat inmiddels bij vertalingen op deze site).

Jean-Claude gaat er voor zitten en geeft zijn persoonlijke vertaling. Dat dit moeilijk is blijkt als er soms meer handgebaren dan woorden nodig zijn om iets uit te leggen. Jean-Claude: “Het is heel moeilijk om te vertalen. De tekst is oorspronkelijk in het Corsicaans geschreven. De tekst van ‘Caracolu di brame’ is geschreven door Marcellu, mijn broer. Hij schreef vroeger veel teksten voor ons.
Corsicaans is een zeer beeldende taal, wanneer je het naar het Frans vertaalt, verlies je soms het effect van wat er eigenlijk bedoeld wordt.”

Tra Noi: Wat zijn de favoriete dichters van Jean Claude ?

Jean-Claude: “Borges, René Char, Aragon en Primo Levi. Dit zijn de dichters die ik het meest citeer.” Tot Christina’s genoegen horen bij navraag ook Pessoa en Paul Eluard tot de favorieten.

Tra Noi: Passen er ook vrouwenstemmen binnen de polyfonie ?

Jean-Claude: “De Polyfonie bestaat al heel lang. Het werd gezongen in de velden, tijdens het werk van de mannen. Daarom zongen de mannen samen. Waarom er geen gemengde polyfonie is, komt omdat het esthetisch gezien niet goed is. Zodra je stemmen mengt met verschillend toonbereik vernietig je het harmonische effect. Als je mannen en vrouwen samen laat zingen, zingen ze niet in hetzelfde register. Dan breidt je de registers, het spectrum uit, en krijg je andere klanken. Dit is geen wetenschappelijke uitleg maar dit zijn genoeg elementen die ondersteunen waarom gemengde polyfonie niet bestaat.”

Tra Noi: Hoe komt het programma voor een tournee tot stand. Wie bepaalt wat er gezongen gaat worden?

Jean-Claude: “Dat hangt van veel dingen af, maar we bespreken het sowieso samen. Vaak hangt het samen met de nieuwste werken, maar ook waar we zin in hebben om te zingen, en aan het evenwicht van het programma. Als voorbeeld het Nederlandse tournee; hier hebben we een aantal nieuwe zangen gezongen, deze komen op de nieuwe CD, die we in Januari gaan opnemen. Het geeft ons de gelegenheid om de nieuwe zangen in te werken en ook om ze te ‘rijpen’. Van creatie tot rijpheid is er veel werk.

Tra Noi: Hebben jullie favoriete plekken om te zingen?. Zijn er locaties waar jullie absoluut terug willen komen ?

Jean-Claude: “Niet bepaald, we houden van een bepaalde akoestiek. Het is niet persé zo dat alle akoestiek goed is voor wat wij doen. We houden niet van te grote zalen omdat we dan verplicht zijn met een zware geluidsinstallatie te werken en dat past niet bij onze zang, het is dan niet meer in verhouding tot wat we doen. Wat wij doen is meer intiem. Een té grote kerk is ook niet prettig omdat het geluid dan draait en dat brengt ons tijdens het zingen in verwarring. Voor ons is de ideale zaal een kerk van 300 tot 400 plaatsen. Of anders een kleine zaal met een goede geluidsinstallatie. Op deze manier hebben we een verhouding met het publiek die niet verstoord is, maar precies goed.”

Tra Noi: Velen zijn lovend over ‘A Filetta’, de harmonie, de passie, de prachtige muziek en de teksten. Wat Suzan betreft zijn jullie 7 zeven engelen. Wat jullie doen is zo goed voor het hart, het raakt, maakt zacht en omarmt. Hoe is het om zo bejubeld te worden en gewoon 7 zeven Corsicaanse mannen te blijven?

Jean-Claude: “Allereerst geeft het ons plezier dat ze zo’n beeld van ons heeft. Ze moet weten dat voor ons, in geen geval een behoefte is om dit beeld te scheppen. Daarvoor gebruik ik een citaat van André Malraux: “l’homme n’est ni ange ni bête, à vouloir faire l’ange il fait la bête” (“de mens is noch engel noch beest, maar om engel te willen zijn doet hij als een beest”). Voor ons is het belangrijk om altijd kritisch tegenover onszelf te blijven. De dag dat we beginnen te zeggen: “wat we doen is goed”, zal het begin van het einde zijn. Vanaf dan zal het bergafwaarts gaan. Onze instelling is: het eeuwige zoeken naar een evenwicht dat we nooit zullen bereiken, maar wat belangrijk is om te zoeken. Ook zullen we altijd bescheiden blijven, we zijn ons volledig bewust van het feit dat we zonder onze publiek nergens zijn, dat is een zekerheid. Dit komt omdat onze muziek iets te vertellen heeft, waarnaar geluisterd moet worden. We zijn innig overtuigd dat onze muziek als een gemeenschap is, het is een wisselwerking. We vinden het fijn, om dit beeld ook uit te dragen. Dat is alleen mogelijk als er mensen zijn die dicht bij ons zijn en met ons dit avontuur willen beleven, zonder economische invloed of hiërarchische verhoudingen, en dat is tegenwoordig zeldzaam. We weten dat we bevoorrecht zijn. Soms zeggen mensen ons: “Ja maar jullie leven toch in een economische verhouding, aangezien jullie CD’s en concerten verkopen”. Dat moet ik wel toegeven. Maar we hebben het geluk dat we heel vroeg in onze carrière een publiek hebben gevonden, dankzij dit publiek hebben we nooit artistieke concessies gedaan. Die concessies zouden dan alleen voor het levensonderhoud zijn. Wij zijn nooit in een situatie geweest waarbij we voor iets moesten kiezen wat gegarandeerd succes zou geven. Wat we doen is wat we doen ! Het is moeilijk, het is niet altijd gemakkelijk om onze muziek te laten horen, om het te laten luisteren. Toch hebben we een publiek. En dankzij dit publiek, en mensen zoals jullie, kunnen we verder. Vanaf dat moment kun je alleen maar bescheiden blijven.”

Tra Noi: Je hebt het over CD verkoop, aan het einde van het concert kondigt Laurent de mogelijkheid aan om CD’s te kopen, het publiek moest lachen. Hoe hebben jullie dat ervaren ?

Jean-Claude lacht: “Gisteren (in De Doelen Rotterdam) lachte het publiek ook al, we hebben hierover nagedacht, maar we denken dat het komt door het feit dat het direct aan de laatste inleiding vastgeplakt zat, we moesten er ook om lachen.
We hebben dit jaar te Calvi voor de “Rencontres” Giovanna Marini ontvangen. Zij is een Italiaanse volkszangeres van achter in de 60. Zij heeft een fantastisch repertoire. Ze doet haar concerten met 3 andere zangeressen. Tijdens de concerten spreekt ze veel tegen het publiek, ze vermaakt het publiek. Aan het einde van de concerten zegt zij: “Ik ga jullie iets uitleggen. We hebben CD’s gemaakt maar de producers willen ze niet verkopen. Dus onze CD’s vergaren veel stof, en dat verplicht ons om ze schoon te maken. Omdat niet meer te hoeven doen verkopen we ze zelf”. Dan gaat zij achter de coulissen en komt zij terug met dozen vol CD’s. Zij gaat op de rand van het toneel zitten en verkoopt ze. Haar “agent” zegt dat sinds ze dat doet, ze gigantisch veel CD’s verkoopt. Ze maakt er een spelletje van. Wij, we zouden dat nooit durven na te doen. Maar we moesten lachen omdat het bij dit tournee de eerste keer is dat we aankondigen dat na afloop van het concert er CD’s te  koop zijn. Nooit, nooit eerder hadden we dat gedaan. Om terug te komen op jouw vraag, we moesten er om lachen maar het heeft ons niet in verlegenheid gebracht.” Maxime valt lachend in: “Je zei  “het altruïsme en de gave aan een ieder, na afloop zijn er CD’s te koop”.  Alles op dezelfde toon. Het was poëtisch…”(lacht)
Suzan: “Het was grappig én het heeft gewerkt.”

Tra Noi: Passie is een woord dat steeds terugkomt, vanuit jullie zelf, wat wij op de DVD zien, wat wij in interviews lezen, op het podium, maar zeker ook van ons publiek. Hoe blijf je 30 jaar gepassioneerd ? En wat doen jullie, wanneer het minder is, om die passie weer aan te wakkeren ?

Jean-Claude: “Luister, eerlijk, wij hebben niet het gevoel dat de passie zich verminderd. Misschien zal het ooit gebeuren, maar tot nu toe hebben wij het niet gevoeld. Misschien omdat we zoveel verschillende dingen doen, wat belangrijk is voor een groep zoals de onze, is om geen carrièreplanning te maken. We zijn altijd open gebleven naar anderen, om samen te werken met wat anderen voorstellen en andersom. Elke keer gaan we verder. Het verrijkt ons. Het is wat met Bruno Coulais gebeurd is toen we zijn begonnen filmmuziek te maken. Daarna hebben we er veel gemaakt. Daardoor hebben we veel musici ontmoet. Trouwens het is met één van hen met wie we het requiem hebben gemaakt.
We hebben Bruno Coulais aan Orlando Forioso, een Napolitaanse regisseur, voorgesteld. Sinds die tijd hebben ze heel veel dingen samen gemaakt. Alles gebeurd op een natuurlijke manier. Het komt op ons pad, het is in feite altijd nieuw, altijd onbekend.”

Tra Noi: Christina wil graag dat Jean-Claude één woord noemt dat representatief is voor ‘A Filetta’.

Jean-Claude: “Alors…. ‘  hij denkt na, lacht, wil wat gaan vertellen, maar Christina is streng: “één woord.”
Jean-Claude: “één woord?… Nou, dat wil zeggen dat ik teveel aan het ratelen ben.”
Laurent: “Wel, het is omdat we veel vragen hebben, en als we alles willen vragen, zijn we tot het ontbijt bezig…”
Suzan: “Eén woord om A Filetta te beschrijven is… ‘A Filetta’ ?”
Jean-Claude: “dat zijn twee woorden… één woord…(Jean-Claude kijkt diep nadenkend) één woord, ik denk dat het zou zijn…(we lachen)… dat wil zeggen… (lachen)… als het één woord moet zijn, moet het absoluut een woord zijn wat open is naar andere dingen, omdat één woord te moeilijk is.
Ik denk dat er één ding is wat volgens mij belangrijk is..(lachen)…”
Christina: “nee, één woord !”
Jean-Claude: “één woord, (lachen) één woord, ik zou zeggen…dan zou het Sincérité (oprechtheid) zijn.
Omdat het volgens mij het enige woord is wat een bepaald aantal begrippen dekt.”
Suzan: “één woord is te weinig.”
Jean-Claude: (opgelucht) “voila, absoluut.”

Tra Noi: Aankomend jaar bestaan jullie 30 jaar. Zijn er plannen om dit te vieren ?

Jean-Claude: “Om dit jubileum te vieren?: geen. We hebben erover nagedacht, 30 gekke concerten te geven, 30 CD’s uitgeven, het was leuk geweest maar onmogelijk. We hebben dus niets bijzonders. Er zijn dingen die verder zullen gaan. We zullen albums uitbrengen, dingen beginnen die belangrijk voor ons zijn. Er zal niets bijzonders zijn voor het jubileum van 30 jaar A Filetta.”
Tra Noi: “Is er een officiële datum voor de oprichting van A Filetta?”
Jean-Claude: “Nee, oktober 1978.”

Tra Noi: Wij, A Filetta-fans, missen een DVD van een live-concert. Is dit te realiseren ?

Jean-Claude: “We hebben daar al eerder over nagedacht maar niet persé voor een concert. Er zijn bepaalde repertoires die meer waarde hebben als ze Live opgenomen zouden zijn. Bijvoorbeeld ‘Medea’. Nu denken we dat het live en misschien zelfs op DVD had gemoeten, omdat het oprechter zou zijn.
Toen we Medea hebben opgenomen waren we gefocust op een bepaald aantal dingen die uiteindelijk niet echt belangrijk waren. En de CD geeft niet terug wat het zou moeten zijn. Maar we denken er steeds meer aan. We weten ook dat de CD “kouder” is. In onze manier van zingen zijn er dingen die meer spreken dan wanneer je naar een CD luistert.
Maar de vraag blijft: “Is op een DVD het contact hetzelfde als tijdens een concert ? Ik ben er niet van overtuigd !”

Tra Noi: Welke droom wil ‘A Filetta’ nog waarmaken, zonder grens, de wereld is van jullie…

Jean-Claude: “Ik weet niet of ik een wens voor ‘A Filetta’  zou willen doen. Ik zou meer een wens voor de planeet willen maken. Dat kan pretentieus lijken, maar die wens zou zijn dat onze manier van werken als groep, als voorbeeld gevolgd wordt. Wat ik wil zeggen is dat ik in onze maatschappij een wederzijds respect zou willen zien, maar ook een aanvulling, een solidariteit, dat de manier die werkt zich overal verspreid. Dat is volgens mij het meest kostbare wat we kunnen geven.”

Tra Noi: Een vraag over de groep zelf, zijn complementariteit, solidariteit… hoe kun je dit uitleggen ?

Jean-Claude: “Het is heel eenvoudig: ‘A Filetta’ is niet gecreëerd uit esthetische, muzikale of artistieke elementen.
In 1978 is ‘A Filetta’ begonnen, en de mensen die erbij gekomen zijn, zijn mensen die ons nabij waren. Er is een soort van naderingssituatie en op een bepaald moment, op een zeer natuurlijke manier komen die mensen de groep binnen.
Die nieuwkomers komen dichterbij en delen de sentimentele en filosofische ervaringen met ons. En wanneer je je lekker voelt met iemand, kom je op een natuurlijke manier steeds dichterbij hem.
Van de oorspronkelijke groep zijn Jean en ik gebleven. Daarna zijn Paul en José erbij gekomen in 1983/1984. Toen kende ik Paul al. We zaten op dezelfde school. Hij was de vriend van de vriend met wie ik zong. Maar Paul zong destijds nog niet. Beetje bij beetje is hij binnen de groep gekomen. We hadden hetzelfde verlangen, het idee van iets samen opbouwen. Het is precies hetzelfde met de andere leden van de groep. José werkte toen in een muziekschool met kinderen, bij Île Rousse, samen met één van de oprichters van A Filetta. Na een tijdje is hij in de groep gekomen. Voor Maxime geld hetzelfde. Hij zong vaak bij feesten en partijen. En toen was het een soort osmose die gebeurde en is ook hij in de groep gekomen. Jean Luc kwam, toen hij heel jong was, bij ons op zangcursus. Hij heeft 2 a 3 keer met ons gezongen voor “Passione” die we in Calvi deden. En ook hij is op een natuurlijke manier in de groep geïntegreerd. Voor Cèccè, mijn neef, is het de familieband, maar ook naar aanleiding van een concert in Calvi. We hadden een optreden met meerdere zangers. We hebben geoefend, en hij heeft met ons gezongen. Daarna waren er 2 jaren zonder dat we samen werkten, en op een gegeven moment hebben we hem benaderd. We wisten al dat we op dezelfde lijn zaten. Het is om al die redenen, dat we een klank hebben. Om een goede klank te hebben, is eenvoudig stemmen nemen en samenvoegen niet voldoende. Voordat het werkt moet je veel overeenkomstige gevoelens hebben, een gezamenlijke visie over het leven, over Corsica, van wat zij zou moeten zijn, van wat zij wil worden. Dat alles maakt dat een groep zeer gebonden en strak is op harmonisch gebied. Er zijn ook andere mensen in de groep geweest, maar zij zijn niet gebleven. Zij konden zich niet voegen in deze manier van werken. Het is heel vaak dat de mensen, die met ons mee op tournee gaan, verbaasd zijn over onze manier van functioneren. We lijken een soort kudde, we zijn altijd samen. Als een van ons boodschappen gaat doen, belt hij iedereen om te vragen wie er mee wil gaan. Zo functioneren wij, en dat heeft invloed op de muzikaliteit van de groep. We hebben het nodig.”

Ondertussen zijn de pizza’s en toetjes op, de koffiekopjes leeg, we zouden nog wel tot het ontbijt door willen gaan met vragen, met dit fijne gesprek, maar de realiteit is dat de mannen morgen naar Antwerpen gaan om daar op te treden en aangezien het rond middernacht is nemen we afscheid.