Passione

Passione1- U sipolcru (vertaald)
tekst :Jean-Claude Acquaviva muziek : Jean-Claude Acquaviva

2- L’Orme sanguigne (vertaald)
arrangement : A Filetta

3- U lamentu di Maria (vertaald)
tekst : Marcellu Acquaviva muziek : Jean-Claude Acquaviva

4- Dies Irae (vertaald)
muziek : J.M. Giannelli arrangement : A Filetta

5- U lamentu di Ghjesù (vertaald)
tekst en muziek : T. Casalonga – N. Acquaviva – R. Mambrini

6- Ghmerto
arrangement : A Filetta

7- A Sintenza (vertaald)
tekst en muziek : Jean-Claude Acquaviva

8- U Dubbitu  (vertaald)
tekst : Marcellu Acquaviva muziek : Jean-Claude Acquaviva

9- A l’Alivetu (vertaald)
tekst en muziek : Jean-Claude Acquaviva

10- Lamentazione di Jeremiae (vertaald)
arrangement : A Filetta

11- Tecco (vertaald)
arrangement : A Filetta

12- Alleluia (vertaald)
tekst : Jean-Claude Acquaviva muziek : J.M. Giannelli


1 U Sipolcru

Hè bellu cà ghjuntu à fine
U libru di e scritture
È u mondu s’addurmente
In e pessime friture
Ci ere tù, omu sperava
Dì o Diu dì mi la strada

T’anu allucatu in a tomba
Ch’è tu possi arripusà
Ma un pintone ci impedisce
D’esse vicini à vighjà
Pè pienghje lu to suspiru
Pè chere u to perdunà

Ùn credu chì Pediniella
Sia forte quant’è tè
Tù chì cummandi à lu ghjustu
U puvarellu è u rè
Ma to luce più n’ùn vecu
Sò orfagnu è mi n’avveccu.

1 Het Graf

Dichtgeslagen is nu
de Schrift der Schriften
En de wereld valt in slaap
In de ijzigste koude
Was jij er altijd, en men hield hoop
Wijs me, God, wijs me de weg

Men heeft je in een graf gelegd
Opdat je rust moge vinden
Maar een steen maakt het onmogelijk
Om dichtbij je te zijn om te waken
Om je laatste adem te bewenen
Om je vergiffenis te vragen

Ik geloof niet dat Magere Hein
Even sterk is als jij
Jij die over de rechtvaardige
De arme en de koning heerst
Maar je licht zie ik niet meer
Ik realiseer me dat ik wees ben

2 L’Orme sanguigne

L’orme sanguigne
Del mio Signore
Tutto dolore
Seguiterò:

E’l core intanto
Per gli occhi in pianto
Sopra il Calvario
Distillerò

Vi prego o Gesù buono
Per la Vostra Passion darci il perdono.

Gesù mio caro,
Ormai è giunto
l’acerbo punto
Del tuo morir.

Stringi la Croce
Morte si atroce
Gode il tuo core
Per me soffrir

Vi prego o Gesù buono
Per la Vostra Passion darci il perdono.

Ahimè, che veggio?
Langue Maria,
Che per la via
Vede il Signor

Di sangue intriso:
E come ucciso
La madre e’l Figlio
Han gran dolor

Vi prego o Gesù buono
Per la Vostra Passion darci il perdono.

Simon, la croce,
Sopra il mio dorso
Se dar soccorso
Or non vuoi tu,

Porterò io:
Ahi, muore, o Dio
Sotto il gran peso
Ahi! muor Gesù!

Vi prego o Gesù buono
Per la Vostra Passion darci il perdono.

2 De bloedrode voetsporen   *extra informatie

De bloedrode voetsporen
Van mijn Heer
Alleen maar pijn
Zal ik volgen:

En onderwijl zal ik heel mijn hart
Door mijn wenende ogen
Op de Calvarieberg
Uitstorten

Ik smeek u, goede Jezus
Schenk ons vergiffenis voor Uw  Lijden

Oh mijn lieve Jezus
Nu is aangebroken
Het bittere moment
Van jouw sterven

Je omklemt het kruis
Zo’n wrede dood
Je hart verheugt zich
voor mij te lijden

Ik smeek u, goede Jezus
Schenk ons vergiffenis voor Uw  Lijden

Oh wee, wat zie ik?
Maria smacht
want op de weg
ziet zij de Heer

Met bloed besmeurd
meer dood dan levend
Moeder en Zoon
Hebben een groot verdriet

Ik smeek u, goede Jezus
Schenk ons vergiffenis voor Uw  Lijden

Simon, het Kruis,
zal ik op mijn rug
als jij geen hulp
nu wilt geven,

zelf wel dragen:
Ach Hij sterft, oh Heer
onder het grote gewicht
Ach, Hij sterft, Jezus!

Ik smeek u, goede Jezus
Schenk ons vergiffenis voor Uw  Lijden

3 U lamentu di Maria

O sianu li me ochji a manu di Diu maiò
vinuta à a fronte toia da ambata di vita.
Lu me dilettu dolce, la me carne ferita
sia di ricordu sempre – u locu induve mi stò,
dund’hè corsu u to sangue in la sera tradita
a pede di a tò croce l’umanità in crucco.

Lu tò arsente sguardu chì di u sole fù branu
eiu l’aspittaraghju per u sò vultà gluriosu
incù ‘ssu passu lebbiu issu visu mai rosu
aspittaraghju à tè – lu tò dettu tercanu
suldatu di l’alte paci, figliolu cimintosu
l’anghjuli appressu à tè in longu stolu vanu.

Cusi negri i niuli cullandi à l’Oriente,
e scuru u punente chì impanna stu mondu
ne si nanta à una croce è tuttu ti stà di tondu
più n’un hè lu tò sguardu – bramosu è spampillente
in la sò strana mossa leva una baraonda
mentre stai cusì chetu vincitore dulente.

Cume u celu s’hè greve è cume a notte hè fosca
mantu negru chì balla ind’è l’anima meia
ti guardu caru Ghjesù è a to sorte attosca
tutta l’aria chì ingira – issa vechja terra ebreia
è si ne và luntanu à chjamà in a tò bocca
chì hè ventu d’amore in la tenebra reia.
Di sopra à a tò fronte corsa hè una culomba
è una nebbia grisgia calata hè addossu à mè.

T’hà fattu lu Rumanu di sta croce una tomba,
tù chì lampavi in terra u pesu di l’ohimè
di a tò carne viva ùn ferma più che ombra
una cota chì lagna – cerca sempre u perchè.
O caru lu me figliolu, Diu di pelle umana
omu chì si ne more in l’attese cuncolte
vinutu à sole altu per riscattà a notte
più n’ùn batte stu core di cotru hè la to manu
un pocu di u tò sangue nantu un farru rumanu
hè diggià una fiumara – chì trabocca a morte.

Oramai mi ramentu sta notte di Betleemme
mi ramentu u tò visu a tò parolla nesca
le stantare di toiu chì funu tante gemme
poi ste tenebre oghje in fronte à Gerusalemme
o tù chì sarè dumane quell’acqua chì rinfresca
un core in lu nivone – chì brusgia quant’e l’esca.

3 De klaagzang van Maria

Ach, waren toch mijn ogen de hand van de grote God,
die als een briesje van leven je voorhoofd heeft gestreeld.
Mijn zoete beminde, mijn verwonde vlees,
dat men zich altijd herinnert de plaats waar ik sta,
van waar je bloed is gestroomd op de avond van het verraad
aan de voet van je kruis is de mensheid in rouw.

Je vurige blik die een straal van de zon was
ik zal er op wachten tot zijn glorieuze terugkeer
met deze lichte tred, dit nooit aangetaste gezicht
zal ik wachten op jou – je heldhaftige uitspraken,
strijder voor de hoogste vrede, heldhaftige zoon
de engelen komen je in een lange stoet tegemoet.

Wat zijn de wolken zwart, ginds in het Oosten
en duister is het westen wat de wereld bekleed
Jij hangt aan het kruis en iedereen staat om je heen
verdwenen is je blik, zo vol van verlangen en stralend
vanuit die vreemde menigte stijgt een gemompel op
terwijl jij zo stil blijft, lijdende overwinnaar

Hoe zwaar hangt de hemel en wat is de nacht mistig
een duister verdriet danst  rond in mijn geest
Ik kijk naar jou, lieve Jezus en jouw lot vergiftigt
heel de ronddraaiende lucht, deze oude Joodse aarde
en gaat ver weg om te roepen met jouw mond
de wind van de liefde in het rijk van de schimmen.
Boven je hoofd is een duif langsgekomen
en over mij is een grauwe nevel gedaald.

De Romein heeft je dit kruis tot een graf gemaakt
jij die het gewicht van de jammerklacht ter aarde wierp
van je levende lichaam rest niet meer dan schaduw
een steen die klaagt – zoek altijd het waarom.
Och mijn lieve zoon, God van vlees en bloed
mens die sterft terwijl de menigte wacht
gekomen met een stralende zon om de nacht te verdrijven
Dit hart klopt niet meer, die hand is van ijs,
een beetje van je bloed aan een romeins zwaard
is al een woeste stroom –die uitmondt in de dood

Voortaan denk ik terug aan die nacht van Bethlehem
denk ik terug aan je gezicht, aan je unieke woorden
je inspanningen die even zoveel edelstenen waren
en ook deze duisternis vandaag tegenover Jeruzalem
jij, die morgen dat water zult zijn dat verfrissing schenkt
aan een hart in een sneeuwjacht– die brandt als een fakkel.

4 Dies Irae

Dies Irae, dies illa
Solvet saeclum in favilla
Teste David cum Sibylla.

Quantus tremor est futurus,
Quando judex est venturus,
Cuncta stricte discussurus !

Lacrymosa dies illa
Qua resurget ex favilla
Judicandus hormo reus.

Huic ergo parce, Deus,
Pie Jesu Domine,
Dona eis requiem. Amen

4 De dag der toorn

De dag der toorn, op die dag
zal de wereld tot as vergaan
zo getuigen David en de Sibylle.

Welk een angst zal er zijn
wanneer de rechter zal komen
om alles streng te oordelen

Die dag vol van tranen,
waarop uit zijn as zal verrijzen
om geoordeeld te worden, de zondige mens.

Spaar dan deze mens, mijn God;
Lieve Here Jezus,
schenk hen de rust. Amen.

5 U lamentu di Ghjesù

O tù chì dormi
in sta petra sculpita
d’avè suffertu
da colpi è ferita
dopu d’atroci martiri
persu hai ancu la vita,
oghje riposi tranquillu
a to suffrenza hè finita.

Ma eo sò ind’una fiamma ardente
brusgiu è mughju
tuttu ognunu mi sente,
sò i lamenti di i cumpagni
è d’una mamma li pienti
chjamu ancu à Diu supremu
ci ritorni stu nucente.

E fù per quella
cun spiritu feroce
da tanti colpi è viulenza atroce
chjodi à li mani è li piedi,
quessi t’hannu messu in croce,
o Diu tante suffrenze
fa ch’eo senti a tò voce.

Oghje per sempre
tutta questa hè finita,
avà sì mortu
hè persa a partita,
oramai in Gerusalemme
a ghjente hè sparnuccita
vergogna ùn ci ne manca,
morte sò a fede è a vita.

5 De klaagzang van Jezus

Oh jij die slaapt
in die uitgehouwen rots
door je lijden
onder slaag en wonden
na wrede martelingen
heb je ook het leven gelaten,
nu rust je vredig
je lijden is voorbij.

Maar ik ben van een verzengend vuur
ik brand en ik schreeuw het uit
iedereen kan mij horen
ik ben het klagen van de discipelen
en het geween van een moeder
ook doe ik een beroep op de Almachtige God
dat hij ons deze onschuldige teruggeeft.

En daarvoor was het
dat ze je, medogenloos
na zoveel slaag en wreed geweld
met spijkers in je handen en voeten,
aan het kruis genageld hebben,
O God zoveel lijden
maak dat ik je stem kan horen

Vandaag en voor altijd
komt aan dit alles een einde,
nu ben je gestorven
de strijd is verloren,
vanaf nu zijn in Jeruzalem
de mensen alle kanten op gegaan
aan schaamte geen gebrek,
gestorven zijn ook het geloof en het  leven.

7 A Sintenza

Pienghji populu pienghji
A sintenza ùn hè di pace!
Pienghji populu pienghji
È guarda cò chì u to figliolu face
Pienghji populu pienghji
È spera davant’à quellu chì per tè
Soffre è si tace
pienghji populu pienghji

7 Het Vonnis

Huil maar, volk, huil
Het vonnis brengt geen vrede!
Huil maar, volk, huil
En kijk naar wat je zoon doet
Huil maar, volk, huil
En hoop ten overstaan van degene  die voor jou
Leed en zweeg
Huil maar, volk, huil

8 U Dubbitu

Si hè stracquatu u sole nantu à una tela doma
È l’aria hè cusì lebbia cusì lindu lu trattu.
U scetru di a putenza l’aghju in manu ma hè soma
Da caricà a lege è u so inghjustu dettu.
Addonda a nustalgia di u me passatu di Roma
Duv’è mi ci aghju lasciatu un tempu benedettu.

Roma di a maestr è di u rispiru dolce
Duv’è si gudia tantuàr fidighjà li celi.
È le sanghjuvanine sopra à lu laziu corse
Chì trillanu d’amore trà venti fatti à meli,
Cù l’onde turchine in andr verdi u tirenu scorse,
Chì vanu à sbarsà u so fiatu à i so rii fideli

Ma chì prò u ricordu di u passatu d’Italia?
À chì vale di chere a stu paese pace?
Per chì speranza strigne in manu à mè issa scaglia
Di un marmaru di quallà chì à u me core cunface?
Più n’ùn portu di Roma ch’è sciabula è battaglia
Quandi in l’anima meia hè nosgia chì ci ghjace

Bella hè sta terra d’Oriente cù le so rene d’oru
Cù le so orte in frisgiu da per ogni vallata.
Ci hè pè i so fiumi cheti u spechju di ogni scioru,
È ci hè di notte tempu un cosimu stellatu.
Ma l’omi n’ùn anu pace è sdresgianu a splindore
Chì u so core hè di raghji a so mente ammurbata.

Anu arricatu à mè dece suldati in tresca
Un omu for’di sesta chì sumina u scumpigliu.
In l’ochji soi c’era u focu à fiancu à l’esca.
Dicenu à u Sanedrinu chì ghjè locu d’appigliu
Ch’ellu porta a vuciata di a fede birbantesca
Vinuta à mette u so Diu in un eternu esigliu.

Quant’elli eranu dolci u so sguardu u so visu.
Alta a so parolla è a so pace tamanta.
Iss’omu à guaru è solu quant’ellu era dicisu
À sfidà a mannaghja c ogni stonda franta.
Portu in core u so dettu che gjè da mè un surrisu
Ind’è l’arca più negra, un surrisu lampante.

Li daranu a frusta poi u trascinaranu
Da fà lu mette in croce in cima à una culetta
Eiu lu lasciaraghju àr u so fatu inumanu
Puru s’è leghju in celu l’accusa ch’un fù detta
Chì altrò era a so brama da fà si omu arcanu
Si invernerà a mio mente è digià lu s’aspetta.

8 De Twijfel

De zon is gaan liggen op een kalme  zee
En de lucht is zo licht en het  briesje zo puur.
De scepter van de macht weegt  zwaar in mijn hand
want ze draagt de wet en haar  onrechtvaardigheden.
Ik word overspoeld door heimwee  naar mijn Romeins verleden
waar ik een gezegende tijd heb  achter moeten laten.

Het Rome van de grandeur, van het  zoete zuchten
Waar je zo kon genieten van het  kijken naar de hemel.
En de zwaluwen, vliegend boven  Latium,
Die zingen van liefde in de  honingzoete wind
Met de blauwe golven, op weg tot  aan de Tyrrheense zee,
Op weg om bevriende kusten te  overspoelen

Maar wat maakt de herinnering aan  Italië nog uit?
Wat heeft het voor nut om voor dit  land vrede te zoeken?
Voor welke hoop omklemt mijn hand  die kiezel
scherf van een stuk marmer van  ginds wat mij aan het hart gaat?
Van Rome neem  ik niets meer mee  dan zwaard en gevecht
terwijl in mijn geest de  misselijkheid op de loer ligt

Mooi is dit Oostelijk land met  haar gouden zandvlaktes
Met haar terrassen die ieder dal  sieren
In haar kalme rivieren  weerspiegelt zich ieder briesje
‘s Nachts is de hemel met sterren  bezaaid
Maar de mensen kennen geen vrede  en vernietigen de schoonheid
Want hun hart is van ijs en hun  geest is verziekt.

Tien samenzwerende soldaten hebben  vóór mij gebracht
Een zonderlinge man die wanorde  zaaide.
In zijn ogen las ik de vrede naast  een smeulend vuur.
In het Sanhedrin zeggen ze dat hij  niet deugt
Dat hij een vals geloof verkondigt
En is gekomen om zijn God voor  eeuwig uit te bannen.

Wat waren zijn blik en zijn  gezicht zachtaardig
Zijn woord verheven, zijn vrede  oneindig.
Wat was deze verwaarloosde en  eenzame man vastbesloten
Het doodvonnis en ieder  neergeslagen moment te trotseren.
Wat hij zei is voor mij in mijn  hart een glimlach
In de donkerste grafkuil, een  schitterende glimlach

Ze zullen hem geselen en daarna  wegslepen
Om hem op de top van een heuvel  aan het kruis te slaan
Ik zal hem overgeven aan zijn  onmenselijk lot
ook al lees ik in de hemel de  onuitgesproken aanklacht
Dat het zijn wens was elders in  het geheim mens te worden
Mijn geest zal de winter doorstaan  en verwacht hem nu reeds.

9 A l’Alivetu

Affanatu sò da l’ore chi vanu in mente
È cercanu à pasponi trà chjasse vechje è patene
Donne calusgiule, omi venti
E veduve cità à mai spanticate
Da u spietatu tempu

Aghju barcatu l’anni
A core datu, à mani tese
Vistu malanni è tarre arrese
Oghje t’avvedi o la mia vita
Chi strada un’era infinita !

Padre s’avanzanu l’ore
Ver’di e sante scritture
E’ l’abbrucata avvigne
Mentre u mio core si strigne
M’addondanu le to primure

9 In de hof van olijven

Ik word gekweld door de uren die vergeefs voorbijgaan
en die op de tast ronddwalen in oude steegjes en ruines
op zoek naar naar lichtekooien en windbuilen
en weduwsteden, voor immer verwoest
door de nietsontziende tijd

Ik heb de jaren doorlopen
mijn hart gegeven, mijn hand toegestoken
en verwoesting gezien, en doodse landerijen
Vandaag zul je merken, mijn leven,
dat de weg niet oneindig was!

Vader, de tijd schrijdt voort
naar (de vervulling van) de Heilige Schrift
De dageraad komt naderbij
terwijl mijn hart ineenkrimpt
moge jouw zorg mij overspoelen

10 Lamentazione di Jeremiae

Incipit Lamentatio Jeremiae Prophetae
Aleph
Quomodo sedet sola Civitas plena populo,
facta est quasi vidua domina gentium:
princeps, provinciarum facta est sub tributo.

Beth.
Plorans ploravit in nocte, et lacrymae ejus in maxillis ejus:
non est qui conseletur eam ex omnibus charis ejus:
omnes amici ejus speverunt eam, et facti sunt ei inimici.

Ghimel.
Migravit Judas propter afflictionem, ei multitudinem servitutis:
habitavit inter gentes, nec invenit requem :
omnes persecutores ejus apprehenderunt eam inter angustias.

Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum Deum Tuum.

10 De klaagzang van Jeremia  *extra informatie

De Klaagzang van Jeremia vangt aan
Alef.
Hoe zit die stad zo eenzaam, die zo vol volk was,
zij is als een weduwe geworden, de heerseres van de heidenen:
de vorstin onder de landsschappen is schatplichtig geworden.

Beth.
Zij weent steeds des nachts; en de tranen lopen haar over de wangen:
er is niemand om haar te troosten onder al haar geliefden:
al haar vrienden hebben haar verraden en zijn vijanden geworden.

Gimel.
Juda is in ballingschap gegaan wegens de ellende
en om de grootsheid van de dienstbaarheid woonde het onder de heidenen;
en het vindt geen rust, al zijn vervolgers achterhalen het tussen de engten.

Jeruzalem, Jeruzalem, bekeer je tot de Heer Uw God.

11 Tecco

Tecco, diletta madre
Mi fermo a pié del legno
Accio mi mi facci degno
Di teco lagrimar.
Vinto da tante pene
Mi trema in petto, il cuore,
Dal duolo e dall’amore
Mi sento lacerar.

Santa Madre, questo fate
Chi le piaghe del Signor
siano imprese nel mio cuore

11 Met jou

Met jou, geliefde moeder
Sta ik aan de voet van het kruishout
Opdat ik waardig mag worden
Om met jou te wenen
Verslagen door zoveel leed
Beeft mijn hart me in mijn borst,
Door rouw en liefde
voel ik me verscheurd worden

Heilige Moeder, zorg ervoor
Dat de wonden van de Heer
In mijn hart worden gegrift

12 Alleluia

Cristu hè risuscitatu
Alleluia
Gloria à Diu in l’alti celi
Alleluia
Pace sia annant’à a tarra
Alleluia

12 Halleluja

Christus is verrezen
Halleluja
Eer aan God in den hoge
Halleluja
Vrede op aarde
Halleluja

* L’Orme sanguigne
De tekst is geschreven in de XVIIIde eeuw door Sint Lorenzo van Porto Maurizio. Het wordt in de kerken gezongen op alle vrijdagen van de Veertigdagentijd en op Goede Vrijdag voor de veertien Kruiswegstaties.

(van de vertaler: om de tekst lopend te krijgen heb ik gebruik gemaakt van het boekje “Canti Sacri” van de Cunfraternità di Sant’Antone Abbate è di Santa Restituta di Calinzana. In de tekst in het boekje bij “Passione” staan wat foutjes die de tekst enigszins onsamenhangend maken, terwijl het hoorbaar ánders wordt gezongen!)

* Lamentazione di Jeremiae
Deze klaagliederen worden gezongen tijdens de Donkere Metten in de Goede Week van Calvi.
(Klaagliederen van Jeremia, 1-3)

Donkere Metten:
De metten (matutinae) maken deel uit van het getijdengebed in de Rooms-katholieke kerk en de Orthodoxe kerk. Het woord ‘metten’ komt van het Latijnse woord ‘matutinum’, dat ‘ochtend’ betekent, maar de metten worden meestal ’s nachts of in de zeer vroege ochtend gebeden. Het aanvangstijdstip varieert van ongeveer 3.45 uur tot 6.15 uur. Omdat ze vaak ’s nachts gebeden worden, is tegenwoordig de term vigilie (“wake”) in zwang, ook in de officiële boeken van de abdij van Solesmes.
De metten vormen het langste officie van het rooms-katholieke getijdengebed, en bestaan in hun oorspronkelijke versie uit twee nocturnen die elk bestaan uit zes psalmen en een langere lezing, de eerste uit de Bijbel, de tweede uit de kerkvaders. ’s Zondags komt daar nog een nocturn van drie lofzangen uit het Oude Testament met een evangelielezing en het Te Deum bij. Hierbij moet worden aangetekend dat de metten in zeer veel kloosters worden ingekort, waarbij de nocturnen over twee weken worden verdeeld. In de standaard (lange) versie duren de metten op zijn minst anderhalf uur, meestal langer. In de Goede Week zijn de zogeheten Donkere Metten en Lauden nog uitgebreider.
(Wikipedia)