Si di mè

Si di mè1- Ne’n tarra ne’n celu (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

De schijnbare luchtigheid van de muziek wordt door de tekst tegengesproken:
“Noch op aarde, noch in de hemel verblijft mijn tijd …
Noch op aarde, noch in de hemel komt mijn jammerklacht aan …
Noch op aarde, noch in de hemel … armzalig geluk !”
Een lied over de zin van het leven.

2- Santa R’ghjina (vertaald)
tekst: Jean-Yves Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Dit lied, als duet door Jean-Luc en Paul gezongen, gaat over de Scala di Santa Reghjina, de bergpas die elke reiziger moest overgaan voordat de weg werd aangelegd in het begin van de XXste eeuw.
De dichter Jean-Yves Acquaviva vertaalt hier de ruigte en de absolute schoonheid van deze laatste drempel die de mens fascineert en uitholt; hij buigt voor dit stukje eeuwigheid waar vele sterren met eerbied zijn langs gegaan.

3- Reame meiu (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Om welke duistere redenen kan de gekte van de mens geen onderscheid maken tussen overvloed en rijkdom? Mijn rijkdom, dat ben ik, dit is mijn leven, dit is zonder twijfel een deel van mijn mogelijkheid om te accepteren dat anders zijn me ook vormt. Het is moeilijk om een evenwicht tussen de ander en mijzelf te vinden, evenwicht zonder welk, zoals Danyel Waro (zanger uit de Réunion) het zegt:  “ik voor niets meer verantwoordelijk zou zijn, ook niet voor mijn eigen geluk!”

4- Affrescu (vertaald)
tekst: Marcellu Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Akhenaton – Bruno Coulais
Gecomponeerd in 1999 op een tekst van Marcellu Acquaviva voor het album Comme un aimant, staat dit stuk op Sì di mè in een iets aangepaste uitvoering.
Het eert het geheugen en zijn rol als schepper in de voortdurende opbouw waarin de mens verkeert; het geheugen als doolhof, in staat om ons tot wezens te maken die met vreugde willen blijven wat ze zijn, mits ze dat volledig, gretig en zonder complexen kunnen doen!   

5- Tra Noi (vertaald)
tekst: Marcellu Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Een eerbetoon van Marcellu Acquaviva aan Antò Francescu Filippini, een Corsicaanse dichter die stierf in ballingschap te Rome. Zijn inzet voor de verdediging van de Corsicaanse identiteit bracht hem veel leed en verscheurde hem ten tijde van het begin van de Tweede Wereldoorlog.
In solo gezongen door José. Mooie tegenzang van Jean-Luc.

6- Dormi (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Een wiegelied geleid door Paul.

7- Tbilissi (gastzanger: Guram Tamazashvili) (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
In dit lied zingt Guram Tamazashvili samen met A Filetta. Dit is een liefdeshymne gericht aan de Georgische hoofdstad Tbilisi.

8- Si (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

Het mafste lied van dit album, zowel door het stemgebruik als door de tekst. Een droomzang die de zon en het water wil belichamen, en die de eenzaamheid oproept van de zeeman die al vanaf het begin van de wereld op zee is. Was dit lied misschien het lied van Odysseus ?

9- Tempu (vertaald)
tekst: Ghjuvan Ghjaseppiu Franchi muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

Een prachtige lied over de tijd die voorbijglijdt, solo gezongen door Jean Sicurani. Een muzikale bewerking waarbij de vocale soberheid sterk afsteekt tegen de orkestbegeleiding die zeer druk, rijk en verbeeldend is.

10- L’attesa (vertaald)
tekst: Marcellu Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

Alle angst en twijfel zijn in deze woorden aanwezig. Marcellu Acquaviva vertelt ons met veel zeggingskracht dat ook in de eenzaamheid en het wachten de droom en de hoop kunnen wortelen, of simpeler uitgedrukt, de hoop uit de droom.

11- A’laltru mondu (gastzanger: Antoine Ciosi) (vertaald)
tekst: Francois Vincenti muziek: Dominique Vincenti – arrangement: Bruno Coulais
Er was veel terughoudendheid, intelligentie en gevoel voor nodig om over de dood van een jongetje te spreken zonder in pathetiek te vervallen. Dat is waar François Vincenti hier bewonderenswaardig goed in slaagt: een liefdeslied van de hemel naar de aarde; een ontroerend gedicht dankzij de eenvoud en de zuiverheid van elk woord.
Antoine Ciosi geeft door zijn stem met evenzeer rauwe als geruststellende accenten aan dit gebed de kracht van oprechtheid. Het tweede couplet, gezongen door Jean-Claude, geeft een unieke ontroering.

12- Memorie (vertaald)
tekst: Anton’Francescu Filippini muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

“Van zó veel leven
is in de herinnering niets meer gebleven
dan een verarmd beeld
Van zó vele liefdes, een naam of twee
En van de kleine waaghals die ik was
de herinnering aan een verwonding”
Een treurig beeld over de tijd en zijn vlucht; een visie getint door een grote nederigheid, een nederigheid die wellicht alleen met de jaren komt !

13- Visioni care (vertaald)
tekst: Anton’Francescu Filippini muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Tijdens zijn ballingschap in Rome is de dichter A. F. Filippini nooit opgehouden het eiland wat hem ontnomen was te gedenken. Het ondraaglijk gewicht van zijn eigen afwezigheid heeft zijn meest aangrijpende versregels voortgebracht. In dit lied spreken ze tegelijkertijd van zijn passie, zijn aanbidding, zijn eerbied voor zijn geboorteland, en van de onmeetbare pijn het voor altijd onbereikbaar te weten.

14- A’di’ti di tù (gastzangeres: Marie-jo Allegrini) (vertaald)
tekst: Jean-Claude Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais

Een meisje heeft net onder tragische omstandigheden haar vader verloren. Haar peettante, zelf gehandicapt, schenkt haar deze woorden vol van leven en enthousiasme. Het is eenvoudig de liefde die het verhaal van dit lied bepaald.

15- L’Aria (gastzangeres: Marie Kobayashi) (vertaald)
(deel uit de opera “Il Gioco di Robin e Marion”)

tekst: Orlando Forioso muziek: Bruno Coulais
Marie Kobayashi, mezzo-sopraan van Japanse oorsprong, mengt haar stem met die van A Filetta op muziek van Bruno Coulais, een gedeelte van een opera voor kinderen, geschreven door Orlando Forioso. De prinses Marion smeekt hier de metgezellen van Robin om haar te bevrijden van de slechte sheriff.

16- Chjarura (vertaald)
tekst: Marcellu Acquaviva muziek: Jean-Claude Acquaviva – Bruno Coulais
Alleen dit lied kon het album afsluiten, al was het alleen maar omdat het tot nu toe onvermoede einders ontsluiert. Sprekend over de ijdelheid van het leven, herinnerend de stem van de Prediker, viert het  “de helden, vertrokken om de wind na te jagen”. Een eerbetoon aan de tocht, aan het leven, in een mildere sfeer.

Alle schuin gedrukte teksten zijn citaten van Jean-Claude Acquaviva
Bron: L’Invitu


1 Ne’n tarra ne’n celu

Nè in tarra ne’n celu
Sensu passu ùn avarà ?
E case sò quì à curà
Ricordi da sbelu
E’sbagliu d’eternità
Nè in tarra nè in celu
Lu mio tempu si stà

Aghju vistu l’infernu
D’una mamma à u spiccà
E’u surrisu di darnu chì a vulia allaccià
Una ghjurnata tetra
Di quelle chì ponu turnà
Nè in tarra nè in celu
U mo pientu ci và

Nè in celu, nè in tarra
Sò cote à lampà?
Aghju l’anima chì cotra
Forse da l’alta sarra
Quella ch’omu n’ùn sà
Palisatu sicretu…
Corcia felicità

1 Nog op aarde nog in de hemel

Zou dan noch op aarde noch in de hemel
Een voetstap zinvol zijn?
De huizen hier dragen de zorg
Voor gruwelijke herinneringen
Misvatting van de eeuwigheid
Noch op aarde, noch in de hemel
Verblijft mijn tijd

Ik heb de hel gezien
van een moeder bij het scheiden
en de glimlach die haar tevergeefs wilde omarmen
Op een van die sombere dagen
die steeds terug kunnen komen
Noch op aarde noch in de hemel
komt mijn jammerklacht aan

Noch op aarde, noch in de hemel
zijn er stenen om te werpen
mijn geest bevriest
wellicht is vanuit het hoge gebergte,
dat wat geen mens kent,
het geheim geopenbaard …
Armzalig geluk

2 Santa R’ghjina

Sì di petra zuccata da l’omi è da li venti
I to culori sò quelli ch’è tù t’inventi
Lascendu fà l’ingegnu di e quattru stagione
Ch’intreccia ombra è lume in una strana unione

Si di sicreti persï cù l’anime smarite
Di quelli ch’in le fole s’amentanu e vite
Quelli ch’anu spartutu tempi fà e to stonde
Banditi o pastori l’hai sappiuti asconde

Quantu hai vistu ghjente mancu tù ùn la sai
Ma adopri pacenza è senza stancà mai
Porti u peregrinu à scorbe u Niolu
Cullendu à passi dolci à fiancu à fiume Golu

Sì di caldu chì brusgia à sin’à a ferita
Quandu à e sciappittae a statina t’invita
Di i to ghjargelelli quandu viranu sbuccia
Si movenu e spisce da u ponte à cuccia

Si di cotru lucente à l’ore inguernarecce
Nant’à i to sciappali si spechjanu e trecce
Di isse stelle fughjite induve nimu ùn sà
Elle so l’infinitu, tù sì l’eternità

2 Heilige Koningin

Uit rotsen ben je vormgegeven door de mens en door de wind
Je kleuren zijn zoals jij ze je bedenkt
door de kracht van de vier seizoenen zijn gang te laten gaan
Die licht en donker samenvlecht in een wonderlijke verbintenis

Je bestaat uit geheimen, verloren gegaan met de dolende zielen
van wie de levens nog steeds worden herdacht in sprookjes
degenen die lang geleden je tijd hebben gedeeld
Zowel bandieten als herders wist jij te verbergen

Hoeveel mensen je hebt gezien weet jij zélf niet eens
maar je bewaart je geduld en zonder er ooit genoeg van te krijgen
help je de pelgrim om de Niolu te ontdekken
door met rustige stappen stroomopwaarts te gaan langs de Golu

Je bent van een warmte die wonden kan branden
wanneer de zomer je noodt voor de hitte van het middaguur
door je aardverschuivinkjes wanneer de lente ontluikt
ontspringen er  watervallen uit de vervallen brug

Je bent van schitterende rijp in de winterse koude
je hellingen weerspiegelen de staarten
van die vallende sterren die gevlucht zijn naar niemandsland
Zij zijn het oneindige, jij bent de eeuwigheid

3 Reame meiu

Reame meiu, reame ma
Più s’ammansa lu tempu
Più mi sentu cantà

Sò bramosu è impaziente
Di spalancà cum’è un infierì
reame meiu, reame mì

Reame meiu, reame mò
A; l’orlu di la to ghjeva
Mi staria ancu à paccarò

Aghju giratu tantu
Per infattà ti custì
Reame meiu, reame sì.

3 Mijn Koninkrijk

Mijn koninkrijk, mijn koninkrijk, maar …
Naarmate de tijd milder wordt
Hoor ik mij vaker zingen

Ongeduldig ben ik, en vol van verlangen
Om mijn trots wijd uit te zingen
Mijn koninkrijk, kijk toch, mijn koninkrijk

Mijn koninkrijk, koninkrijk, geef toch
Zelfs aan de rand van je grondgebied
Zou ik alleen maar stilletjes willen zitten

Ik heb zo veel gereisd
Om je hier nu te treffen
Mijn koninkrijk, mijn koninkrijk, daar ben je…

4 Affrescu

Stu tribbiu chì un ventu hà purtatu luntanu
Storia di l’omi andati privi di u so ribombu
Figlioli di un matticciu chì una sciabula hà tombu
Cascati in u furore di e mosse chì sanu
Quant’ell’hè dolce è lindu u tempu di e speme.

Una spara casa duv’è passasti l’anni
A l’anni accatastati da ghjunghje sin’à noi
E’le petre pisate cum’è stelli d’eroi
Da omi à tesse nebbie da omi à parà danni
Una cù l’altri nati in core à noi inseme

E cispre cù l’arcusgi è l’acciaghju murtale
U fiume chì trascina a libertà culpita
I morgani ind’è l’ochji chjosi nantu à vita
E u sole chì more nant’à un vechju sciappale
Da fà pienghje la terra da fà li dì ghjasteme

L’oramai chì hè di punta à l’aghja nova
Tuttu impastatu à sonnii è à lascite antiche
Quandu si cala u sguardu è vede e vistiche
Di un passatu chì indetta una storia ritrova
Ingarmigliata tutta à ondere è à gemme.

4 Fresco

Deze molensteen, door een windvlaag ver weg gevoerd
geschiedenis van hen die zijn heengegaan, ontdaan van hun echo
nakomelingen van een rotsmassief dat door de sabel werd geveld
gevallen in het woelig geweld dat beseft
hoe lieflijk en mooi de tijd van de hoop is

Dat scheefgezakte huis waarin je de jaren doorbracht
waar de jaren zich aaneenregen tot in onze tijd
en die stenen, opgericht als sterrenhemels vol helden
door mensenhanden, om de nevel te weven, om verval te voorkomen
Zowel de een als de ander geboren in ons aller hart

De haakbus en de musket en het dodelijk staal
De rivier die de neergeschoten vrijheid met zich meesleept
De onbereikbare plaatsen waar het leven niet wordt gezien
De stervende zon op een oeroude helling
Om de aarde te doen janken, te doen vloeken

Het heden, gegroeid op de nieuwe akker
helemaal bepleisterd met dromen en eeuwenoude erfenissen
Wanneer je je ogen neerslaat en de sporen ziet
van een verleden dat de weg wijst naar een hervonden geschiedenis
een onontwarbaar geheel van golven en edelstenen

5 Tra Noi

Issa lingua di i mei grazia à voi fù quella
Chì incantava le sere di a mio zitellina
Issa lingua di i mei grazia à voi fù bella
Quarit’un’alba di maghju, un sfogu d’albaspina

Trà noi ci fù lu mare è u tempu chì u face
Trà noi li bisesti di e guerre orrende
Ma ci fù da fà ponte a musa ch’ùn si tace
E parolle di focu, e splendite lucende

Pienghje u murianincu u so figliolu persu
Pienghje a Corsica sana quellu chì si n’andò
In paese di Dante à mantene u versu
Di quelli di una volta, quelli antichi maiò.

Qualsiasi lu locu, u fiume, u paese
Ch’è vo travirsarete in sonniu dopu vita
E brame di u meiu à e vostre sò appese
Da fà compie sta notte chì dura senza lita.

5 Onder ons

De taal van mijn voorouders was het, die dankzij jullie
De avonden van mijn kindertijd betoverde
Die taal van der mijnen, die dankzij jullie even mooi was
Als een dageraad in mei, als de bloei van de meidoorn

Tussen ons in lag de zee en de tijd die hem doet ontstaan
Onder ons was de verslindende gulzigheid van gruwelijke oorlogen
Maar ook, om een brug te slaan, de nimmer zwijgende muze,
De woorden van vuur, de schitterende lichten

Vandaag bewenen de mensen van Moriani hun verloren zoon
Weent heel Corsica om hem die vertrok
Naar het land van Dante om daar de tradities in stand te houden
Van de mensen van weleer, onze voorouders

En welke plaats, welke rivier of welk land jullie ook
In de droom van het hiernamaals zullen doorkruisen
De verlangens van mijn droom zijn verbonden met die van jullie,
om zonder twist een einde te maken aan deze nacht die maar voortduurt.

6 Dormi

S’hè intratalatu lu ghjornu
S’ammansa folta, la notte
Più sole, più cennu, più sorte
Dormi

Mì chi s’appiccianu l’ochji
E’m’aghju da stà quì à vighjà
A invintà ti tesoru, unu scuruzzulà
Dormi

Cum’ellu deve pienghje è cantà
Brame, u’rè chì n’ùn ebbe
U rè chì n’ùn ebbe
U rè chì n’ù hà
Dormi

Senti, a mo pelle, senti
A mo rima hà da stancià
Dà li tù un basgiu prima cà parte
Eppò dormi ciuccia,
Dormi ghjà.

6 Slaap zacht

De dag is ten einde gelopen
De nacht stapelt zich duimendik
Geen zon meer, geen teken, geen lot
Slaap zacht

Kijk hoe je oogjes dichtvallen
En ik zal hier blijven om over je te waken
Om voor jou schatje, een zacht vallend donker te verzinnen,
Slaap zacht

Oh wat zal hij huilen en zingen over zijn groot verlangen,
de koning die dit nooit had
de koning die dit nooit had
de koning die dit niet heeft
Slaap zacht

Luister, mijn vlees en bloed, luister
Mijn liedje begint op te drogen
geef het maar een kusje voordat het gaat
En slaap dan kleintje,
Slaap maar zacht

7 Tbilissi

Di u nucente ai li tratti
Battaglie tante u t’oghje hè stancu
Di miseria chì ti volse stà à fiancu
Da l’alba prima sai li patti
Tbilissì

Cum’è un passu ch’ùn s’impaziente
Cum’è un visu ch’ùn s’arritira
Sì tempu chì passa, sì omu chì spira
Patena lasciata da l’eternu errente
Tilissì

Sì sonniu di nottetempu
D’un ansciu forse chì fù
A’mancà mi da anni, da anni è più
Dì mi chì lu to sguardu, ùn era mà cà un frattempu
Tbilissì

7 Tbilissi

Van onschuld getuigen je trekken
vermoeid is je heden door zoveel geweld
Van de ellende die niet van je zij wilde wijken
ken je de regels sinds de wereld ontstond
Tbilissì

Als een stap die nooit ongeduldig is
Als een gezicht dat niet terugdeinst
Ben je tijd die verstrijkt, een mens die ademt
Een door de dolende eeuwigheid verlaten ruïne
Tbilissì

In het nachtelijk uur ben je de droom
van een adem die mij denk ik
al jaren en jaren en langer ontbrak
Zeg me dat je blik nooit meer was dan een moment in de eeuwigheid
Tbilissì

8 Si

Si granu a mio casa, di granu
Fragatu da l’antivistu sole
Chì puru di tè n’ù seppe nulla

Sì fola u mio granu, di fola
Innamurata à bagnu
Sott’à e spisce di qualchì rè vadu

Sì fumaccia a mio fola, di fumaccia
Appinnulata si in l’albitru
Chì sgotta bachi da prucaccià

Sì cesta a mio fumaccia, di cesta
Sulcata da e dite in partanza
Ver’di u sbulinchjatu tempu

Sì fanalettu a mio cesta, di fanalettu
Spittinatu chì scrive a so stella
A’i marinari imbariati è soli

Sì donna u mio fanalettu, di donna
Apparinata è nesca
In tresca veghinu l’ore !

8 Je bent

Je bent graan, mijn huis, het graan
gebeukt door de alwetende zon
die toch van jou niets afwist

Je bent sprookje, mijn graan, een sprookje
Verliefd badend onder
de straaltjes van een koningsbeek

Je bent mist, mijn sprookje, de mist
Die is blijven hangen in de aardbeiboom,
Die zijn vruchten rondstrooit voor het grijpen

je bent haar, mijn mist, het haar
doorploegd door vingers
op weg naar de gestolen tijd

Je bent vuurtorentje, mijn haardos,
een vuurtorentje met verwarde haren dat haar ster
opdraagt aan eenzame dronken zeelui

Je bent vrouw, mijn vuurtorentje, een vrouw,
eender en verschillend –
mogen de uren in de val lopen!

9 Tempu

A vita lega à corda lena
Vanu le stonde par vultà
L’ora si chjama libertà
More la gioia eccu la pena
U tempu corre à corda lena

U tempu corre à briglia sciolta
Porta l’amichi è lu piacè
Si ne vanu luntan’da tè
Quelli d’oghje è quelli d’una volta
A vita fila à briglia sciolta

A vita fila à quella volta
E’ tuttu strappa à longu andà
Forse si chjama eternità
L’ultima stonda chì rivolta
U tempu lega à quella volta

9 Tijd

Het leven leidt met soepel koord
Momenten gaan om terug te keren
Vrijheid heet het hier en nu
De vreugde sterft, daar is het verdriet
De tijd verglijdt aan soepel koord

De tijd verglijdt met losse teugel
Neemt vrienden en vreugde met zich mee
Ver gaan ze van je vandaan
Die van vandaag en die van weleer
Het leven trekt langs met losse teugel

Het leven trekt langs tot die ene keer
En alles knapt op lange duur
Misschien noemt men wel eeuwigheid
Dat laatste moment wat steeds terugkeert
De tijd leidt naar die ene keer

10 L’Attesa

Una ripa di terra in core pè l’eternu
E’stu surrisu caru voltu versi l’avvene
Un passu chì andarà senza più malapena
E’l’ochji abbagliulati nantu à u mare paternu
Quant’hè strana l’attesa

Una squatra di fiure più nere ch’è u dolu
Un avvampu di focu chì affoga u rispiru
Tuttu ciò chì si more seza oncia di rigiru
Ogni cennu di vita chì varca u celu novu
Quant’hè strana l’attesa

Un sonniu malandatu chì chjama u terrore
L’ingannu è u vituperiu in tresca pè e cime
U ricordu annannatu da le to ore patime
E’u to celu chì piglia u versu di u chjarore
Quant’hè strana l’attesa

Una ripa di terra è un branu di sole
A vistica di ciò chì sbramò l’infelice
Quand’eiu ne rimiru a mio terra à l’arice
Di iss’ombra meia nata quandi à ella s’annoda
Quant’hè dolce l’attesa di tè

10 Het wachten

Een stukje land, voor altijd in je hart
en die lieve glimlach, gericht op de toekomst
een stap, voortaan zonder moeite gezet
die zo vertrouwde zee die je ogen verblindt
Wat is het vreemd, het wachten

Een samenspel van beelden, zwarter dan de rouw
Een oplaaiend vuur dat de adem beneemt
Alles wat maar sterft zonder enig benul
Ieder teken van leven dat langs de nieuwe hemel trekt
Wat is het vreemd, het wachten

Een uit de hand gelopen droom die het uitschreeuwt van angst
List en bedrog zweren samen op de daken
De herinnering door je rustige uurtjes in slaap gewiegd
En je hemel die maar lichter blijft worden
Wat is het vreemd, het wachten

een stukje land, een straaltje zon
het spoor van alles wat de ongelukkige kon troosten
Wanneer ik mijn land bewonder op de rand
van mijn schaduw die ontstaat wanneer hij zich met haar verbindt
wat is dan zoet het wachten op jou

11 A’laltru mondu

A’l’altru mondu, u tempu hè longu
Ci stà l’eternità
E’m’ha pigliatu à tempu natu
Di mè chì n’hà da fà
O cara mamma u paradisu
Hè grande cum’è tè
E’s’è ti chjamu à l’improvisu
S’arricummanda à mè
Santa Maria a to sumiglia
Un nu mi lascia più
E mi cuntentu, è mi ramentu
Cum’è s’ell’era tù

Ti mandu un fiore, u so culore
U scegliarei tù
Hè ind’è u pratu di u Muratu
Ch’ellu face u più
S’o fussi eiu frà i più belli
U cuglierebbe à tè
Ma stocu in celu, è i to capelli
Sò luntanu da mè
Ma i t’allisciu cù Ghjesù Cristu
Chì sà quale tù sì
E’mi cuntentu è mi ramentu
E’megliu, ùn possu dì

Ùn piglià dolu, u to figliolu
cù l’anghjuli stà bè
E’ciò ch’o vogliu u mio custodiu
A sà prima cà mè
Quì l’aria fine cum’è puntine
Cosge senza piantà
Ore tranquille, à mille a mille
Senza calamità
A l’altru mondu canta un culombu
E’paura ùn ne hà
Pè cacciadore ci hè un Signore
O mà ùn ti ne fà !

11 In de andere wereld

In de andere wereld  duurt de tijd lang
Daar is de eeuwigheid
En bij mijn geboorte kwam hij me halen
Wat heeft hij nou met mij van doen
O lieve mamma, het paradijs
is even groot als jij
En als ik je opeens roep
dan wordt ik geholpen
door de Heilige Maria, jouw evenbeeld
Zij laar me niet meer alleen
en ik ben weer tevreden, en ik herinner me
als ware zij jou

Ik stuur je een bloem, de kleur
mag jij kiezen
Hij staat in de wei bij Muratu
want daar groeien de meeste
Als ik er zelf was, dan zou ik hem uit de mooiste
ook zelf voor jou plukken
Maar ik ben in de hemel, en je haren
zijn ver van mij vandaan
Maar ik liefkoos ze voor je met Jezus Christus
Die weet wie je bent
en ik ben weer tevreden en ik herinner me
en meer kan ik er niet van zeggen

Neem niet de rouw aan, je zoon
maakt het goed bij de engelen
En al wat ik wens weet mijn beschermengel
voordat ik het zelf weet
De lucht  hier, fijn als stipjes
naait zonder op te houden aaneen
rustige uren, duizenden na elkaar
zonder ongelukken
In de andere wereld zingt een duif
en hij kent geen vrees
De enige jager is daar de Heer
O mamma, maak je geen zorgen!

12 Memorie

I giardini ch’o aghju passatu
Oghje mi parenu un desertu
U ventu ci corre à l’apertu
Spulendu rena d’ogni latu

L’acqua hè sparita, ogni libbiatu
S’hè intisichitu è u core incertu
Dice aghju gosu aghju suffertu
Fattu e mio lotte o sunniatu

Di tanta vita
Ùn hè ristatu à a memoria
Ch’è una visione impuverita

Di tant’amori, un nome o dui
E’di u tribbicinu ch’o fui
U ricordu d’una ferita

12 Herinneringen

De tuinen die ik doorkruiste
Lijken me nu een woestijn
De wind heeft er vrij spel
en strooit met zand aan alle kanten

Het water is verdwenen, alle plantenrekken
zijn weggeteerd en mijn onzeker hart
zegt heb ik genoten heb ik geleden
mijn strijd gestreden of gedroomd

Van zó veel leven
is in de herinnering niets meer gebleven
dan een verarmd beeld

Van zó vele liefdes, een naam of twee
En van de kleine waaghals die ik was
de herinnering aan een verwonding

13 Visioni care

Ancu s’o ùn videraghju più
La mio terra prima di more,
A mio patria a mi portu in core
E l’aghju sempre à tù per tù

Vegu u so celu gonfiu è tesu
Cum`e un preziosu ballacchinu
Sopr’à i paesi lu marinu
L’empie tuttu è l’alza di pesu

Vegu e so coste innargentate
Ch’ella riccama l’alga nera
Vegu e so cità chì di sera
Hanu voci d’innamurate

Vegu e so machje chi l’imbernu
Lascia intatte e si ne cummove;
E so canalette e le piove
Chi danu à l’orte un bon guvernu

Vegu achjustrati i so pughjali
Cume cervi in listessa banda
e u ventu pazzu chi cummanda
u focu infamu e i tempurali

E vegu l’omi è le zitelle:
A’chi m’impreca, à chì mi ride,
A’chi mi feghja è ùn si decide.
Poi, pensu à ciò chi ci divide.
O core, inchjoda e to bullelle.

13 Dierbare visioenen

Al zal ik nooit meer
mijn land zal zien voor ik sterf
Ik draag mijn vaderland in mijn hart
En altijd zal het mij vertrouwd zijn

Ik zie haar hemel, bol en gespannen
als een kostbaar baldakijn
boven de dorpjes wordt het door de zeewind
opgebold en omhooggestuwd

Ik zie haar zilveren kusten
Geborduurd met zwart zeewier
Ik zie haar steden die des avonds
roepen als verliefde meisjes

Ik zie haar machja, door de winter
barmhartig met rust gelaten;
en haar geultjes en de regen
die de moestuin goed verzorgen

Ik zie haar weidse heuvels, gerangschikt
als herten in dezelfde kudde
en de woeste wind die heerst over
het beruchte vuur en het onweer

En ik zie de mannen en de meisjes:
De een verwenst mij, de ander bespot me
een enkeling kijkt me besluiteloos aan
En dan denk ik aan wat ons scheidt.
Oh hart, prik je vlinders vast.

14 A’di’ti di tù

Cenere, venti è vite à caternu
Inserciditi li cori chì chjamanu in darnu
Ma l’amore ci fù
Ed’hè firmatu, principessa
A’dì ti di tù
In li to passi incerti ver’di e bracce sparte
Ci hè Mammata chì ride, Mammata scumparte
Tepidi sonnii è grazie tante
Chì t’avviganu, principessa
Da ch’elle sò tamante

Ripigliu:
Annant’à qualchì vechju quaternu
Eccu ti mintuvata, Tesoru
Da Barbirossu lu cecu,
U primu amante d’oru
A basgià ti la fronte sò scalati li ghjorni
E’ centu rè misteriosi anu fiuritu i cuntorni
A so trifuna và,
Bramanu è cantanu, principessa
Da chì e so stelle vantanu

Criaturella in anda, mi sì soffiu d’età
A’l’appossu di a mio preghera, la ti vesti felicità
Venghinu tempu è ore
A’fà ti donna, principessa
D’una zitella in pettu, ci aghju da tene u core

Ripigliu

14 Om je te noemen (voor Alexia)

As, stormen, verdoemde levens
De verschrikte harten die roepen, vergeefs
maar de liefde was dáár
en is gebleven, prinses
om jou bij je naam te noemen
bij je onzekere stapjes op weg naar haar open armen
is daar je moeder, lachend, je moeder die warme dromen uitdeelt
en zoveel lieve gebaren
dat ze je omvatten, prinses,
zó groot zijn ze

Refrein:
En kijk, schatje
Op een bladzijde van een oud schrift
word je genoemd door Roodbaard de blinde,
de eerste gouden minnaar
De dagen zijn langsgekomen om je het voorhoofd te kussen
en honderd geheimzinnige koningen hebben de omgeving met bloemen getooid
hun tredmolen draait door
Ze hunkeren en bezingen degene, prinses,
die hun door de sterren wordt aangeprezen

Klein ukkie op weg, adem van mijn tijd
Moge, in de beschutting van mijn gebeden, geluk je bekleden
komen ook tijd en uur
dat je vrouw wordt, prinses,
jouw kinderhart zal ik altijd in mijn borst meedragen

Refrein

15 L’Aria

Marion:
Non sento, non odo,
più forze non ho
Le corde vocali si allentano ognor.
Per me, principessa, non vale la storia:
un principe, un re a liberarmi non c’è.
Mio Robin, amore fatale,
per te le mie ale
tarpate oggi son.
Non sento, non odo, forze non ho

A Filetta:
Nella notte buia e scura
Non risuonano speranze.
Se la luna qui non entra
un abisso attenderà

Prima il fuoco, ora Marion,
abbiam troppo sopportato:
O Sceriffo disgraziato,
or preparati a scappare.

Travestirsi è un bell’affare
per entrare nel castello:
come Ulisse col cavallo
questa astuzia marcerà

15 De Aria

Marion:
Ik voel niet, ik hoor niet,
mijn krachten verlaten mij
mijn stembanden verslappen steeds meer
Voor mij, prinses, gaat het verhaaltje niet op:
er is noch prins, noch koning om mij te bevrijden
mijn Robin, noodlottige liefde
voor jou zijn mijn vleugels
vandaag gekortwiekt
Ik voel niets, ik hoor niets, mijn krachten verlaten mij

A Filetta:
In de donkere en duistere nacht
weerklinkt geen hoop
als de maan hier niet binnenschijnt
wacht ons de afgrond

Eerst het vuur, nu Marion
we verdroegen teveel
Sheriff, ongelukkige
maak je op om te vluchten

Een vermomming is handig
om het kasteel binnen te komen
zoals Odysseus en het paard
zal deze list slagen

16 Chjarura

Passatu m’aghju l’anni à circà in le nebbie
Lu mio rispiru primu, fraterna rimembrenza
E’avale a sò mi n’anderaghju senza
Sò stu cecu chì và è nulla n’ùn pò leghje

I to guai sò mei a to pena listessa
Le to gioie le m’aghju à fiancu à l’oramai
Stò chjosu ind’è isse ripe duv’è tù ti ne stai
Tù chì viaghji dinù in a bughjura spessa

E tribbiere sò compie e guerre sò finite
L’eroi sò andati à visticà lu ventu
Sò corse l’acque linde da l’altu di u pientu

Sò ghjarghje le to mure sò paci le to lite
A mio vita hè appesa à i destini umbbrosi
Libari l’orizonti à e partanze sposi

16 Helderheid

Mijn jaren heb ik doorgebracht  in de mistflarden op zoek
naar mijn eerste ademtocht, naar die vertrouwde herinnering
En nu weet ik dat ik zonder hen heen zal gaan
Ik ben die blinde die ronddoolt en niets kan lezen

Jouw leed is het mijne, je pijn is dezelfde
jouw vreugde heb ik steeds aan mijn zij
Ik ben gevangen binnen die oevers waar jij ook vertoeft
Jij die net als ik reist in het ondoordringbare duister

Het graan is gedorst, de oorlog ten einde
De helden volgen het spoor van de wind
Aan de berg van ons verdriet zijn heldere beekjes ontsprongen

Je muren zijn verbrijzeld, je ruzies verzoend
Mijn leven hangt af van het schimmige lot
Einders die uitzien op afscheid in verbondenheid